Er was een tijd dat niemand aan mij kon zien dat het niet goed ging. Ik werkte hard, lachte op de juiste momenten, sportte genoeg, functioneerde. Als iemand mij toen had gevraagd hoe het ging, had ik zonder aarzelen gezegd: “Goed.” En ik had het nog geloofd ook.
Wat ik niet wist, was dat mijn lichaam een ander verhaal vertelde. Mijn schouders stonden altijd gespannen, slapen lukte steeds minder en ergens diep vanbinnen leefde een constante onrust, alsof er iets op het punt stond mis te gaan ook wanneer alles rustig was. Maar ik had geleerd dat je als man doorgaat. Je analyseert niet te veel. Je voelt niet te veel. Je lost het op. Althans, dat dacht ik.